Beste Vrienden van de Muziek
Vandaag de tweede repetitiedag, met drie werken op de lessenaar: het plichtwerk van Fang
Man, de Sinfonia Concertante van Sergey Prokovief en het tweede concerto van Dimitri Shostakovich.
Daar waar de lezing van het plichtwerk gisteren nog een glibberige ontdekkingstocht was,
kreeg het stuk vandaag een vastere vorm in onze hoofden. Er blijft enige bezorgdheid over het feit dat de kandidaten zelf de volgorde van de vier seizoenen mogen kiezen en dat die wellicht telkens anders zal zijn. We zullen tijdens de finale-avonden dus niet netjes de volgorde van de bladzijden kunnen doorspelen, maar er zal af en toe in de lessenaarmap geschoven moeten worden. Wellicht om die reden werden bij de uitgave van dit stuk de vier seizoenen in
vier verschillende partijen uitgegeven. (Tussendoor even een jargonverduidelijking: een ‘partituur’ is het grote dikke boek dat de dirigent gebruikt en waar alle instrumenten van het orkest op weergegeven worden, terwijl een ‘partij’ door de orkestmusici wordt gebruikt en slechts de notenbalken voor één instrument bevat). Het zal er dus op neerkomen om altijd de juiste partij voor onze neus te hebben. Op repetities heeft het wel eens tot grappige momenten geleid
wanneer een dirigent met veel enthousiasme de eerste maten van een bepaald stuk
wil inzetten en het orkest een ander stuk op de lessenaar heeft staan. Stel je voor dat zoiets op een concert gebeurt, live op radio en tv. Ik wil het liever niet meemaken …
Het grootste deel van de repetitie van het plichtwerk werd besteed aan de balans tussen de
solist en het orkest. Onze eerste cellist, Olsi Leka, heeft het werk voor de gelegenheid ingestudeerd en doet met ons de repetities, een beetje als oefenkandidaat. Dat geeft ons de gelegenheid ons optimaal voor te bereiden op de repetitie met de eerste finalist, volgende week. Het is namelijk niet de bedoeling dat de eerste kandidaat te maken krijgt met een orkest dat nog wat kraakt en piept, terwijl de kandidaten die op het einde van de week komen met een goed geolied orkest zouden kunnen samenspelen. Nee, we moeten aan de twaalf finalisten hetzelfde niveau van begeleiding en ondersteuning kunnen aanbieden.
Na de pauze werd er gewerkt aan Prokofiev en Shostakovich. Die concerto’s zijn tamelijk complex, maar het orkest heeft die vorige maand nog gespeeld. En dat scheelt natuurlijk een slok op een borrel.
Twee namen die constant in deze wedstrijd zullen opduiken, zijn die van de legendarische
cellisten Pablo Casals en Mstislav Rostropovitsj. Het is dit jaar 150 jaar geleden dat Pablo Casals geboren werd. Casals zou één van de meeste iconische cellisten van zijn tijd worden. Hij was - net als violist Eugène Ysaye - bevriend met Koningin Elisabeth. Het mooie aan deze KEW-editie is dat de eerste laureaat de kans zal krijgen om vier jaar op de cello van Casals te spelen. Casals kocht dit instrument in 1908 in Parijs en bleef er meer dan 60 jaar op spelen. Het instrument werd in 1733 gebouwd door de Venetiaanse luthier (nog wat jargon-duiding: spreek uit “luutjee”, een bouwer van snaarinstrumenten) Matteo Goffriller. Casals kreeg tijdens zijn carrière meermaals een Stradivarius-cello aangeboden, maar hij bleef vasthouden aan zijn Goffriller, die hij steevast ‘mijn beste vriend’ noemde. Wat een godsgeschenk moet het niet zijn als je gedurende vier jaar zo een bijzonder instrument mag bespelen. (Behalve misschien voor de verzekeringsmakelaar die dit dossier moet behartigen … )
Mstislav (ofSlava) Rostropovitsj werd in 1927 in Bakoe geboren. Hij maakte een wereldcarrière als cello-solist en wordt beschouwd als één van de belangrijkste musici van de 20st eeuw. Vijf van de acht concerto’s die nu nogin de running zijn voor de finale, werden voor hem geschreven en zijn door hem gecreëerd: beide concerto’s van Shostakovich, Prokofiev, Dutilleux en Lutoslawski. De cello-wereld zou er helemaal anders uitzien zonder Rostropovitsj. Ik deed ooit eens als lid van het Europees jeugdorkest - toen op tournee in Griekenland - een concert met hem als
solist. Dat was in de jaren 90 van de vorige eeuw, toen de dieren nog spraken en ik nog jong, fris en fruitig was. Ik herinner me dat hij in de gewone omgang een bijzonder goedlachse en heel gemoedelijke man was, maar dat hij op het podium tijdens het concert transformeerde in een indrukwekkende rotsblok van muziek, concentratie, expressie en enthousiasme. Dat zijn zo van die momenten in een muzikantenleven die je nooit vergeet. Het mooie is dat we straks op deze
KEW misschien opnieuw zo een legendarisch en mythisch musicus mogen ontdekken, zoals dat in het verleden al gebeurd is met David Oistrach, Gidon Kremer, Philip Hirschhorn of Vadim Repin. Enorm spannend, vind ik…
Ik baan me een weg door het Centraal Station, dat inmiddels helemaal is ingepalmd door een
veelkleurige mensenmassa voor de Brussels Pride en keer huiswaarts. Morgen schrijf ik u meer KEW-nieuws!
Bram