Donderdag 27.05.2021

· Blog KEW 2021

Beste Vrienden van de Muziek

Ik heb gisterenavond met open mond zitten luisteren naar de Prokofiev van Keigo Mukawa. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat je dit aartsmoeilijke, eindeloos lange stuk ingestudeerd krijgt? En uit het hoofd? (Dat vinden we doodnormaal, maar dat is het niet.) En dat je het dan op zo een trefzekere manier kunt reproduceren, onder zo een hoge druk, in zulke moeilijke omstandigheden én er bovendien nog je eigen twist kunt aan geven? Alhoewel ik dit concerto op de vorige edities van de KEW al vaak gespeeld heb (met Severin von Eckhardstein, met Anna Vinnitskaya, met Denis Kozhukhin) ben ik daar steeds opnieuw stomverbaasd over. Ik kan daar, als gewone sterveling, niet bij. Het menselijk brein is blijkbaar tot veel, heel veel in staat. En zeker als je Keigo Mukawa heet. Voor deze jongen neem ik mijn hoed af en maak ik een diepe buiging.

We repeteerden zonet met Dmitry Sin, de Russische kandidaat die er een beetje als een Japanner uitziet en die vrijdagavond zal spelen. Dmitry ging erg relaxed met zijn repetitie om en telkens er een klein ongelukje gebeurde, verscheen er een sympathieke glimlach op zijn gezicht. Hij was heel snel klaar met zijn verplicht werk, maar op aanraden van Hugh Wolff investeerde hij er toch nog wat extra repetitie-minuten in. Net als bij Redkin koos Sin voor heel snelle tempi in zijn Rachmaninov-concerto. Tijdens de orkestrale inleiding van het tweede deel ging hij even een wandelingetje maken in de zaal, zich een weg banend door de rode fauteuils, net op tijd terug op het bankje voor zijn eerste inzet. Ik vind het erg moeilijk om deze finalist in te schatten omdat ik het gevoel heb dat hij zich op deze repetitie niet à fond gegeven heeft en al zijn cartouches spaart voor zijn optreden morgen. Erg benieuwd!

Van de vier edities van de KEW (piano, viool, cello en zang) vind ik de piano-editie altijd de meest objectieve. Immers, iedereen moet op hetzelfde instrument spelen. Vooral bij de vioolwedstrijd vallen de verschillen tussen de violen van de kandidaten enorm op. En dat maakt het naar mijn gevoel soms een ietsiepietsie oneerlijk. De ene kandidaat kan aantreden met een kanon van een Stradivarius, terwijl de andere het moet doen met een veel mindere viool (een Ikea-viool, zeggen we wel eens). Er wordt wel gezegd dat de jury daar doorheen kan kijken (of luisteren), maar het kan niet anders dat zoiets (al was het onbewust) een rol speelt. Alleen al de boost aan zelfvertrouwen en speelplezier die je krijgt als je op een fantastisch instrument mag spelen, is genoeg om je een niveautje hoger te tillen.

Ik blijf ervan overtuigd dat bijvoorbeeld ons aller Sylvia Huang op de laatste vioolwedstrijd een nog betere beurt had gemaakt met een beter instrument. Aan de andere kant kun je dat probleem van die verschillende violen en cello’s ook heel moeilijk uitschakelen. Stel je voor dat je alle kandidaten zou verplichten om op een en dezelfde “neutrale” wedstrijdviool of -cello te spelen!

Als we dan naar het zangconcours kijken, dan is het principe van iedereen-gelijk-voor-de-wet-en-dus-op-hetzelfde-instrument helemààl zoek, aangezien het instrument van een zanger de stembanden zijn en bijgevolg beschouwd worden als een onderdeel van “het talent”.

Met mijn hoboïstenbrein is het dan weer erg moeilijk te snappen dat een pianist het podium opwandelt en de allermoeilijkste zaken speelt op een instrument dat hij/zij nauwelijks kent. Als je mij een vreemde hobo in mijn handen zou duwen (en al zeker een vreemd riet), dan zou ik me daarmee wel een beetje kunnen redden, maar ik zou er zeker geen hoge toppen kunnen op scoren. Mijn instrument is iets waar ik voor een deel mee vergroeid ben, dat ik volledig “ken” en dat ik blindelings uit de duizend zou kunnen herkennen. Mijn rieten zijn maatwerk, gebouwd naar de fysionomie van mijn mond en naar mijn persoonlijk klankideaal. Hobo en riet zijn als het ware een deel van mezelf. Als ik het podium op moet, dan moet ik mijn hobo in mijn handen voelen - het riet tussen mijn lippen - en wil ik er constant in contact mee zijn. En inspelen tot de laatste minuut! (Luister maar eens naar het gegons van een symfonisch orkest, net voor het concert begint.) Mijn ega heeft al verschillende keren verklaard dat ze, het laatste halfuur voor ik op het podium moet voor een moeilijk concert, voelt dat ze door mijn hobo verdrongen wordt naar de 2de plaats. (Ze heeft intussen ook geleerd dat zoiets slechts tijdelijk is en dat ze na het concert snel haar plaats terugkrijgt :-).

Bij pianisten ligt dat dus compleet anders. Op de KEW bv., kunnen de kandidaten twee keer op de wedstrijdpiano spelen. De uren voor het optreden brengen ze door in hun loge, waar een andere (en kleinere) piano staat. En vóór ze op het podium moeten, staan ze pianoloos te wachten in die antichambre die u af en toe op tv ziet. Maar blijkbaar is dat voor hen geen probleem, wellicht omdat ze door de “on-meeneembaarheid” van hun instrument al heel hun leven niets anders gewend zijn en bijgevolg een soort van flexibiliteit hebben aangekweekt om op tal van verschillende piano’s goed te functioneren. Er zijn wél enkele wereldsterren die de wereld rondreizen met hun eigen concertvleugel. Denk maar aan Daniel Barenboim, die de rechtsnarige piano die mijn dorpsgenoot voor hem bouwde, voor elk concert - waar ook ter wereld - meeneemt.

Deze namiddag spelen mijn studenten aan het Lemmensinstituut hun hobo-examen. Een mini-mini-KEW voor deze jonge mensen. Toi-toi-toi!!

Fasten your seatbelts voor de duizelingwekkende Rach 3 van Sergei Redkin vanavond! Morgen breng ik u meer KEW-nieuws.

Bram